Delen

Waar we het over hebben wanneer we het over zorg en werk hebben

Malika is moeder van twee volwassen zoons en een dochter van twintig. Ik ontmoette haar anderhalf jaar geleden; als Correspondent Zorgzaamheid wilde ik weten wat we nodig hebben om goed te kunnen zorgen, en via via was ik bij Malika terecht gekomen.

Malika’s dochter Hiba had de ziekte van Batten, een zeldzame stofwisselingsziekte. Kinderen met deze aandoening groeien de eerste paar jaar van hun leven op alsof er niets aan de hand is. Rond hun zesde, zevende jaar gaat hun zicht achteruit, gevolgd door hun cognitieve vermogens, waarna ze blind worden, last krijgen van epileptische aanvallen, en langzaam maar zeker alle controle over hun lichaam verliezen. De meeste Batten-patiënten worden niet ouder dan twintig; wie die leeftijd wel haalt kan niet meer zelfstandig eten of drinken en heeft 24 uur per dag zorg nodig.

Dus dat was wat Malika deed, bijgestaan door haar man: ze zorgde voor Hiba. Ze gaf haar dochter voeding via een infuus, waste haar en kleedde haar aan, wandelde met haar in een rolstoel, speelde muziek die Hiba nog kende van vóór alles achteruit ging – K3, met name, en Shakira. Dit was zwaar werk: bijna al Malika’s tijd ging eraan op, uitjes samen met haar man zaten er niet meer in, en haar baan had ze opgegeven. Haar hele leven stond in het teken van de zorgvoor iemand die in slow motion bezig was te verdwijnen, en ik kon me weinig verdrietigers voorstellen dan dat. En toch zei Malika: ‘Ik doe het graag, met liefde en plezier.’

Want niemand, zei ze, kon zo goed voor Hiba zorgen als zij en haar man, die hun dochter al haar hele leven kenden en meer van haar hielden dan wie dan ook. Malika wist dat Hiba het fijn vond om gedoucht en warm aangekleed te zijn, wist hoe ze haar dochter moest kalmeren, hoe ze haar kon troosten. Dat ze dit voor haar dochter kon doen, maakte alles uit.

Maar, zei Malika: ‘om goed voor een ander te zorgen moet je ook goed voor je eigen toekomst zorgen, en dat kan ik nu niet.’ Voor haar mantelzorg kreeg ze een vergoeding uit Hiba’s persoonsgebonden budget. En dat was natuurlijk heel prettig, maar zo’n vergoeding is expliciet geen loon en dekte lang niet alle uren die ze aan de zorg besteedde. Malika bouwde geen pensioen op en was niet verzekerd bij ziekte of arbeidsongeschiktheid. ‘Als ik bij de thuiszorg zou werken, dan kreeg ik loon en pensioen,’ zei ze: ‘Nu werk ik ook hartstikke hard, maar krijg ik veel minder.’

‘Zorg’ en ‘werk’ zijn twee verschillende woorden voor, zo lijkt het, twee verschillende dingen. Twee verschillende dingen die elkaar in de weg zitten – die elkaar bijten of verdringen. Kijk maar naar Malika: de zorg voor haar dochter betekende dat ze niet meer kon werken. En ook andere ouders en mantelzorgers hebben moeite om zorg en werk te combineren. Ouders van thuiswonende kinderen voelen zich vaker opgejaagd dan welke andere bevolkingsgroep dan ook. En één op de tien mantelzorgers is overbelast.

Deze middag staat in het teken van manieren waarop het anders kan, met zorg en werk. Manieren om ze minder met elkaar te laten botsen. En misschien is het beroepsdeformatie – als journalist heb ik een bovengemiddeld vertrouwen in de kracht van blikverandering – maar ik denk dat het anders doen begint met anders kijken naar zorg en werk.

Want wat nou als we zorg en werk niet langer zien als twee verschillende dingen die elkaar in de weg zitten, maar als één en hetzelfde ding? Wat nou als we zien dat zorgen, naast alles wat het nog meer is, óók werken is?

Dat is niet mijn idee, en het is ook geen nieuw idee. ‘Zij noemen het liefde, wij noemen het onbetaalde arbeid,’ schreef de Italiaans-Amerikaanse activiste Silvia Federici al in 1975. 1 Federici was een van de aanjagers van Wages for Housework, een beweging die begin jaren zeventig in Italië was ontstaan en zich vanuit daar had verspreid naar onder meer het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Canada en Duitsland. De boodschap van die beweging: het dragen, baren en opvoeden van kinderen was, net als het zorgdragen voor het huishouden, familie en vrienden, een vorm van arbeid – het was werk.

Het was geen productieve arbeid, in de zin dat het nieuwe producten of diensten voortbracht, maar reproductieve arbeid. Arbeid die ervoor zorgde dat er voortdurend nieuwe mensen bij kwamen en werden grootgebracht; dat de mensen die er al waren elke dag opnieuw gevoed, uitgerust en verzorgd naar hun werk konden; en dat iedereen die ziek, zwak of slecht ter been was, zo goed mogelijk werd ondersteund.

Deze arbeid was essentieel: zonder dit werk zouden gezinnen, gemeenschappen, ja zelfs hele economieen direct instorten. Want iedereen heeft zorg nodig: zonder zorg worden kinderen niet groot, zieken niet beter, en ouderen niet oud. Maar naast essentieel was deze arbeid ook onbetaald. En omdat het onbetaald was, werd het niet meegenomen in berekeningen als die van het Bruto Binnenlands Product. Bovendien werd het meestal geen arbeid genoemd, maar zorg. En omdat zorg, in de woorden van Federici, te boek stond als ‘een natuurlijke, onvermijdelijke en zelfs bevredigende activiteit’, die vrouwen vanzelfsprekend en uit liefde op zich namen, zag bijna niemand het nog als werk.

Dat is nu nog steeds zo, maar dat is niet altijd zo geweest. Tot aan de zeventiende eeuw verwees de term ‘werk’ in Europa naar ‘activiteiten die nodig waren om te overleven’, of je er nu geld voor kreeg of niet; of het nu mannen waren die het deden of vrouwen of kinderen; of je het nu thuis deed of daarbuiten. 2 Pas tijdens de industriële revolutie werd ‘werk’ iets dat productief was en voornamelijk buitenshuis plaatsvond, bijvoorbeeld in een fabriek. ‘Werk’ werd het domein van mannen, en de tegenhanger van ‘werk’ werd ‘thuis’. Thuis was het domein van vrouwen en kinderen. Van rust en zorgzaamheid. En vooral: van niet-werk.

(Althans, dat was het ideaal: er waren natuurlijk genoeg vrouwen en kinderen die óók in de fabrieken werkten of op een andere manier de kost verdienden, en er waren genoeg gezinnen voor wie ‘thuis’ zo klein, poreus en druk was dat het allesbehalve een baken van rust vertegenwoordigde. Maar dan nog: een ideaalbeeld was het, één dat ons het zicht ontnam op zorg als werk.)

Het idee van Silvia Federici en Wages for Housework was simpel: als vrouwen nu en masse een salaris opeisten voor de onbetaalde zorgarbeid die ze de hele dag uitvoerden, dan zou het eindelijk weer zichtbaar worden als werk. En zodra ze het als werk zagen, konden vrouwen het ook als zodanig behandelen. Ze konden betere arbeidsomstandigheden eisen, en ze konden ervoor kiezen om iets anders te doen voor hun geld. Onzichtbaar en onbetaald zijn niet hetzelfde, maar ze schuren tegen elkaar aan, houden elkaar in stand.

Een loon voor reproductieve arbeid, voor zorg, is er nooit gekomen. Wilden vrouwen echt emanciperen, dan moesten ze buiten de deur gaan werken, net als mannen, vond de meerderheid van de feministen en beleidsmakers in de jaren zeventig en tachtig. Dat zijn vrouwen dan ook massaal gaan doen, en in Nederland is hun betaalde arbeidsparticipatie inmiddels bijna 76 procent, hoger dan ooit.

Maar hoewel vrouwen nu méér buitenshuis werken dan toen Silvia Federici haar manifest schreef, werken ze nog steeds te weinig, hoor je vaak. Ze bekleden niet genoeg topfuncties en ze werken te vaak in deeltijd. De gemiddelde Nederlandse man besteedt 39 uur per week aan betaald werk; de gemiddelde Nederlandse vrouw ruim tien uur minder. 4 Mede daardoor verdienen vrouwen per jaar zo’n 36% minder dan mannen.

Dit is een probleem, hoor je daar vaak achteraan, omdat deze deeltijdprinsesjes, deze op-de-bank-zittende vrouwen waar de samenleving toch in heeft geïnvesteerd, niet bijdragen aan het in stand houden van de verzorgingsstaat. Een kleine veertig procent van hen is niet financieel onafhankelijk, en trouwens, we hebben hen heel hard nodig op de arbeidsmarkt! De personeelstekorten in het onderwijs en de zorg zouden een stuk kleiner zijn als al die vrouwen gewoon voltijds gingen werken.

Het probleem met deze redenering is natuurlijk dat vrouwen helemaal niet te weinig werken: ze werken ongeveer net zoveel uur op een dag als mannen. Ze krijgen alleen niet voor al die uren betaald. Zo besteden vrouwen gemiddeld 26,5 uur per week aan onbetaald werk, zoals de zorg voor huishouden en gezin, en mantelzorg. Voor mannen is dat 17,4 uur. 7 Kijk je naar ouders van jonge kinderen, de groep met de grootste zorgtaak, dan zie je dat moeders per week ruim 36 uur aan de zorg voor het huishouden en kinderen besteden, oftewel vijf uur per dag; mannen iets minder dan 21 uur, een kleine drie uur per dag. Kijk je naar iemand als Malika, dan zie je dat ze nog veel meer tijd kwijt was aan zorgen. Als er iemand was die hielp de verzorgingsstaat in stand te houden, dan was zij het wel.

En zij niet alleen. Reken uit wat al de onbetaalde zorgarbeid die vrouwen en meisjes wereldwijd uitvoeren zou kosten wanneer je er het minimumloon voor betaalde, en volgens Oxfam kom je uit op een duizelingwekkende 10.8 biljoen dollar per jaar – ruim drie keer zo veel als de waarde van de wereldwijde tech-industrie.

Maar die onbetaalde arbeid, die zien we dus niet als arbeid. Die zien we als zorg. Als een uiting van liefde, genegenheid en verbintenis. En liefde en werk lijken elkaar uit te sluiten: toen ik eind vorig jaar de organisator sprak van een thema-avond over werk, stelde ik voor om het in mijn bijdrage over reproductieve arbeid te hebben. ‘Voor je kinderen zorgen werk noemen, dat gaat wel heel ver,’ zei hij toen. ‘Maar het is wel een leuk, prikkelend uitgangspunt voor een discussie!’

Inmiddels schrijf ik bijna drie jaar over zorg en zorgzaamheid, en ik ben de eerste om te erkennen dat zorgen inderdaad een zeer bevredigende, betekenisvolle aangelegenheid kan zijn, één die in allerlei biologische en psychologische behoeften voorziet. Het betekende de wereld voor Malika dat ze voor haar dochter kon zorgen. Maar dat wil niet zeggen dat het niet óók werk kan zijn: de gemiddelde CEO voelt zich waarschijnlijk ook zeer gepassioneerd over zijn baan, en tegen hem zeggen we ook niet dat ‘ie het dan maar gratis moet doen.

Ik weet: de situatie van Malika was extreem. De meesten van ons zorgen niet zo lang, zo intensief voor onze kinderen of andere naasten. Maar extremen zijn als een loep: ze helpen je het midden beter zien. En wat Malika mij toonde is dat het een hoop zou schelen wanneer we zorg ook gewoon zouden zien als werk.

Want wanneer we zorg als werk zien, dan kunnen we het ook als zodanig behandelen. Van werk begrijpen we direct dat het geen eindeloze bron is. We begrijpen dat mensen energie nodig hebben om te werken, en tijd om van hun werk te herstellen. En dat er een beloning tegenover moet staan.

Dat lijkt me geen overbodige luxe. Voor Malika, maar eigenlijk voor iedereen die zorgt. Voor ons allemaal dus, want vroeg of laat belandt bijna iedereen wel een keer in een zorgende rol. Is het niet wanneer we kinderen krijgen, dan is het wel wanneer onze ouders, vrienden of buren ziek worden en ons een tijdlang meer nodig hebben dan normaal. En gezien de vergrijzing, de dogma’s van de participatiesamenleving, de lange wachtlijsten en het personeelstekort inde professionele zorg, groeit de kans dat er zo’n beroep op ons wordt gedaan met de dag.

Hoe beter we zorg zien voor wat het is, hoe beter we voor zorg – en zorgverleners – kunnen zorgen. Geef een loon voor reproductieve arbeid, schreef Silvia Federici, en mensen zullen vanzelf begrijpen dat zorgen ook werken is. Gedragsverandering leidt tot blikverandering.

Zelf denk ik dat het omgekeerde ook waar is: wanneer we zien dat zorgen ook werken is, kunnen we er ook anders mee omgaan. Dan kunnen we zorgverleners geven wat ze nodig hebben om hun werk goed te kunnen doen. Dan kunnen we hen belonen.

Bijvoorbeeld met een zorginkomen, of (ook goed) een basisinkomen: de financiële basis om de zorg te verlenen waar de samenleving niet zonder kan. Want zorg is werk, essentieel werk. Werk dat al het andere werk mogelijk maakt. Waarom zou dat de samenleving geen geld mogen kosten? Waarom zou daar geen belastinggeld heen mogen gaan? Waarom zou daar geen pensioenopbouw tegenover mogen staan, en andere sociale zekerheden? Wat is er eerlijk aan een samenleving die draait op liefdevolle, maar onbetaalde arbeid?

Deze vragen roepen natuurlijk meteen nog meer vragen op. Wie moet dat betalen? Voor welke zorg precies? Moet zo’n zorginkomen per sé in de vorm van een loon komen, of kunnen we zorgverleners ook op een andere manier ondersteunen? Zou een zorginkomen iets veranderen aan de ongelijke verdeling van zorgtaken tussen mannen en vrouwen, of zou het deze ongelijkheid juist in stand houden? En zou dat erg zijn, als vrouwen in elk geval niet langer financieel afhankelijk zijn, als zorg en werk elkaar voor hen niet meer in de weg zitten?

Wat op al die vragen precies het antwoord is, weet ik ook niet. Wat ik wel weet is dat deze vragen me wél een ‘leuk, prikkelend uitgangspunt’ lijken, ‘voor een discussie.’ En vooral dat we die discussie pas echt kunnen voeren wanneer we zorg zien voor wat het is, en voor wat het waard is.

Gerelateerde artikelen

Bekijk meer
  • Actueel
  • Media
  • ...

10 veelgehoorde vragen en opmerkingen als werkende moeder

  • Actueel
  • Media
  • ...

"Zorgende vaders" en "Werkende moeders"

  • Actueel
  • Media
  • ...

Is this the best a man can be?

Bekijk meer