Delen

Kansenongelijkheid in het onderwijs

Hoe staat het met gelijke kansen in het onderwijs?

Kansenongelijkheid in het onderwijs is al jaren een belangrijk onderwerp van gesprek: sinds 2010 is de ongelijkheid significant toegenomen. Dit jaar zijn de cijfers gestabiliseerd, maar de kansenongelijkheid is nog steeds twee keer zo groot als negen jaar geleden. Om ‘kansenongelijkheid’ te duiden geven we hieronder graag wat cijfers om aan te tonen dat het huidige onderwijs niet voor alle kinderen inclusief is. We lichten verschillende identiteitskenmerken uit die invloed hebben op de kansen van een kind in het onderwijs, waarbij het belangrijk is te benoemen dat juist de intersectie van deze kenmerken de kansen van een kind (deels) bepaalt. 

Veel kinderen ondervinden dus op school en vaak al op de basisschool de nadelen van negatieve of beperkende stereotypering en onterechte onderschatting. Daardoor krijgen ze een lager schooladvies, beschouwen ze zichzelf als minder slim of ambitieus en zien ze voor zichzelf minder mogelijkheden in hun beroepskeuze of -branche. Dit gaat voor ons als samenleving ten koste van het volledige potentieel van onze huidige en toekomstige arbeidskrachten. De kansenongelijkheid staat de ontwikkeling en keuzevrijheid van huidige én toekomstige generaties in de weg. 

Gender

Uit recent Amerikaans onderzoek blijkt dat er tussen de 5 en 7 jaar een omslag plaatsvindt bij kinderen, waarbij meisjes zichzelf ineens als minder slim gaan beschouwen dan jongetjes. Hiernaast denkt 73,7 procent van de Nederlandse meisjes dat het voor vrouwen lastiger is om een rol als leider te krijgen dan voor mannen. Blijkbaar leren we meisjes op vroege leeftijd (onbewust) dat intelligentie en leiderschap ‘jongensdingen’ zijn. 

Meisjes onderwijzen we dus dat er een bepaalde manier bestaat waarop je meisje ‘moet’ zijn. Jongens krijgen ook te maken met deze gendernormen. In het Nederlands bestaat de term ‘het jongensprobleem’, een term die slaat op het onderpresteren van jongens in het onderwijs. De verschillen zijn klein en gelden tevens niet voor elk vak: jongens leggen het af in leesvaardigheid, maar triomferen in wiskunde en natuurwetenschappen. De exacte oorzaak van het onderpresteren van jongens is niet bekend. Wel weten we dat jongens anders opgevoed worden dan meisjes, wat kan leiden tot ander gedrag van jongs af aan. Een veelgehoord argument is dat het (basis)schoolsysteem niet goed genoeg is ingericht op dit gedrag. Hier zijn echter geen bewijzen voor. Een ander argument is dat de ondervertegenwoordiging van mannen in het basisonderwijs slecht is voor de ontwikkeling van jongens. Dit is echter te weerleggen door het feit dat vrouwen in het basisonderwijs oververtegenwoordigd zijn, en daar jongens en meiden het nog ongeveer even goed doen. Pas vanaf de derde klas van de middelbare gaan meisjes beter presteren. De meest aannemelijke verklaring blijft dus de gendernormen die we jongens opleggen: jongens groeien op met het beeld dat man-zijn anti-school zijn betekent: “Je bent een mietje als je urenlang zit te zweten boven je boeken.”  

Bias en (onbewuste) stereotypering bij basisleerkrachten kunnen gendernormen bevestigen, maar ook leiden tot een lagere waardering van meisjes, bijvoorbeeld in het schooladvies. Sinds 2014 speelt het schooladvies van de docenten een belangrijkere rol dan de CITO score. Nu is het advies van de leraar bindend i.p.v. de CITO score. Als uit de score blijkt dat een leerling een niveau hoger aan zou kunnen dient de docent het advies te heroverwegen. Dit wordt nog weinig gedaan. Uit onderzoek van het CBS in 2018 bleek dat meisjes vaker beter presteren dan hun schooladvies. De tendens geldt op alle middelbare school niveaus: van vmbo tot en met vwo. In 2017 zat 16 procent van de meisjes in de derde klas van de middelbare school op een hoger schoolniveau dan het advies dat ze op de basisschool hadden gekregen. Bij jongens was dat 10 procent. Omgekeerd is het ook zo dat jongens vaker dan meisjes op een lager niveau dan hun advies terechtkomen. 14 procent van de jongens in de derde klas zat vorig jaar op een lager schooltype dan de basisschool drie jaar eerder had geadviseerd, tegen 9 procent van de meisjes. Er vindt dus onder- en overschatting plaats op basis van gender, het is belangrijk dat onderwijsprofessionals zich van deze onbewuste processen bewust zijn.

Seksuele oriëntatie

Naast gender speelt ook seksualiteit een belangrijke rol in de ervaring van leerlingen. Uit onderzoek van COC Nederland, in samenwerking met Columbia University New York blijkt dat in het jaar 2018 bijna de helft van de LHB-leerlingen (13-20 jaar) is uitgescholden wegens hun seksuele oriëntatie. Ze worden expres buitengesloten door andere leerlingen (72,8 procent) en er worden veel roddels en leugens over ze verspreid (66,8 procent). Een op de vijf ondervraagde lesbiënnes, homo’s, biseksuelen en transgender personen heeft op school te maken met licht of zwaar geweld vanwege hun seksuele oriëntatie of genderidentiteit. Daarnaast zijn er basisscholen die actief in hun schoolprofiel benadrukken dat het huwelijk alleen bedoeld is voor een heteroseksueel stel: op 20 procent van de reformatorische scholen is dit het geval. 

Etniciteit

Uit onderzoek blijkt dat 1 op de 10 scholieren en studenten aangeeft op enige wijze discriminatie te hebben ervaren in hun schoolloopbaan afgelopen jaar. 1 op de 20 scholieren noemen een onvriendelijke behandeling of een te lage beoordeling als uitingsvorm. De belangrijkste gronden voor discriminatie zijn: etnische herkomst, huidskleur en geloof. Een derde van de Turks-Nederlandse leerlingen geeft aan in de afgelopen twaalf maanden binnen het onderwijs discriminatie te hebben ervaren. Van de Marokkaans-Nederlandse leerlingen en Surinaamse Nederlanders gaat het om ongeveer een kwart van de leerlingen die in het afgelopen jaar één keer of vaker discriminatie meemaakte tijdens de opleiding. Een op de drie leerlingen met discriminatie-ervaringen heeft zich als gevolg hiervan ziek gemeld, waar een kwart als gevolg minder zijn/haar best doet en twee derde met minder plezier naar de opleiding gaat. Daarentegen doet meer dan de helft van deze groep juist extra zijn of haar best. De negatieve gevolgen voor welbevinden als gevolg van discriminatie op het totaal van de scholieren is niet te veronachtzamen. Omgerekend gaat het om ongeveer 1 op de 20 leerlingen die zich minder veilig voelt of minder vertrouwen in zichzelf heeft als gevolg van discriminatie. Zo bezien gaat het dus om ongeveer één leerling per klas.

Naast de hoge discriminatiecijfers op scholen worden scholen met veel leerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond meer getroffen door het lerarentekort. Scholen met meer leerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond plaatsen vaker vacatures online en zoeken vervolgens ook meer leraren, zo blijkt uit het rapport van de Inspectie. Deze ongelijke verdeling van het lerarentekort is zorgwekkend, omdat het potentieel bijdraagt aan een vergroting van de kansenongelijkheid in het onderwijs. 

Opleidingsniveau ouders

Al jaren blijkt dat het opleidingsniveau van ouders een rol speelt in het schooladvies van kinderen. Kinderen van wetenschappelijk opgeleide ouders krijgen in groep 8 bijvoorbeeld vaker een hoger advies voor de middelbare school dan de uitslag van hun Cito-eindtoets aangeeft. Bij kinderen van praktisch opgeleide ouders is dit andersom: zij krijgen juist gemiddeld een lager advies dan hun eindtoets aangeeft. 1 op de 6 leerlingen zou op basis van de uitslag van de eindtoets een advies moeten krijgen dat minimaal één niveau hoger is dan het advies dat de school uiteindelijk gaf. Dit zijn volgens de Inspectie vooral leerlingen met praktisch opgeleide ouders. Slechts 15 procent van deze leerlingen krijgt vervolgens ook daadwerkelijk een hoger advies. De helft van de leerlingen met ouders met een hbo- of wo-diploma begint op havo of vwo. Bij de kinderen met ouders met geen of een mbo-diploma is dat een kwart (dit geldt voor leerlingen met hetzelfde intelligentieniveau). Onderzoek onder Amsterdamse basisscholen bevestigt deze tendens: leerlingen uit praktisch opgeleide gezinnen worden twee keer zo vaak onderschat als kinderen met wetenschappelijk opgeleide ouders.

Het opleidingsniveau van ouders heeft ook invloed op de mate waarin de technologische ontwikkelingen ondersteund worden in de thuissituatie. Uit onderzoek blijkt dat leerlingen met ouders met een HBO- of WO-diploma de meeste kans hebben op ondersteuning op het gebied van ICT, voor schoolwerk en daarbuiten. Technologie biedt dus vele mogelijkheden, maar die zijn helaas niet voor iedereen beschikbaar. Niet ieder kind plukt de vruchten van de mogelijkheden die technologie biedt. Zo ontstaat een digitale kloof en ongelijkheid.

Armoede

Zoals hierboven vermeld kan niet ieder kind evenveel profiteren van technologische ontwikkelingen. Er zijn namelijk leerlingen die opgroeien in een gezin dat niet of zeer moeizaam kan voorzien in de eerste levensbehoeften, en leerlingen die opgroeien in een gezin waar onvoldoende geld is voor bijvoorbeeld Wi-Fi, laptops en smartphones, zo blijkt uit onderzoek van DUO. Uit dit onderzoek blijkt dat bijna twee op de drie basisschoolleraren leerlingen in de klas heeft die in armoede leven. Dit gaat om kinderen met ouders die een inkomen hebben dat net boven de bijstandsgrens ligt. Zij presteren aantoonbaar slechter dan kinderen bij wie dit niet het geval is. 

Gerelateerde artikelen

Bekijk meer
  • Kennis
  • Onderwijs
  • ...

Gender en studiekeuze

  • Kennis
  • Onderwijs
  • ...

Bias bij leraren

  • Kennis
  • Onderwijs
  • ...

Stereotypering in schoolboeken

Bekijk meer